KINDEREN,
SCHEPPERS VAN DE TOEKOMST!
(tekst uit 2002)
Zijn opvoeding en onderwijs nog aangepast aan wat onze samenleving nodig heeft?
"Laat het begrip der kinderen ontluiken als een
bloem,
breek het niet open als een oester."
Charles Dickens ( 1812 – 1870)
Enkele vaststellingen…
Kinderen versus het systeem
Als je de kans krijgt om zo’n ‘niet-willer’ uit punt 3 te ontmoeten (ze zijn er bij de vleet, maar je moet dus vlug zijn!), en je kan je openstellen voor een onbevooroordeeld gesprek, waarin je het kind als gelijkwaardig en zelfs als je leraar beschouwt - het kan je immers hopen waardevolle informatie leveren waarover jij niet (meer) beschikt - dan legt het je precies uit waarom het niet ‘wilt’.
Een samengevatte interpretatie van wat kinderen ons willen
laten weten, die omwille van hun ‘niet-willen’ in de problemen zijn geraakt of er
dreigen in te geraken, kan als volgt worden geformuleerd:
"Als we rondom ons kijken en zien hoe onze wereld
eruit ziet (oorlog, hongersnood, vervuiling en vernieling van onze biotoop, racisme,
stress, onrecht etc), dan kunnen jullie onmogelijk het voorbeeld zijn dat wij
verondersteld worden te volgen".
M.a.w. waarom hen proberen te vormen en op te leiden in een
systeem dat representatief is voor milieuvernieling, stresstoestanden, oorlog en
hongersnood?
Los van wat de maatschappij hen aanbiedt en toont, oefenen
we uiteraard als individu elk apart een morele voorbeeldfunctie uit t.o.v. onze
kinderen; we trachten niet te liegen, niet te stelen, niet te moorden noch te
branden…
We zijn tevens een voorbeeld voor hun sociale omgang, we
leren ze omgaan met hun emoties, hun gaven en beperkingen. Kortom we zijn nog steeds in
staat om persoonlijke relaties uit te bouwen, waarin we het voorbeeld zijn dat het kind
volgt.
Althans in veel gevallen is dat nog mogelijk; sommige kinderen aanvaarden niets en
niemand meer als leidraad.
Het systeem zelf daarentegen -en gezien het over kinderen
gaat, is het gevestigde systeem waar zij het meeste mee te maken hebben, de school-
wordt door een grote groep kinderen (als je gewoon al de groepen onder punt 1, 2 ,3 en
4 van ‘Enkele vaststellingen’ bij elkaar telt), veelal onbewust maar in toenemende mate
ook bewust, verworpen.
De school als fundament van de maatschappij
Je kan er niet omheen dat op school de grondvesten voor de
maatschappij werden en worden gelegd; m.a.w. iedere maatschappij is fundamenteel het
resultaat van de scholing die ze biedt, of niet biedt.
Wijzelf en op zijn minst enkele generaties voor ons, zijn
naar school geweest. Sedert enkele generaties hebben we met zijn allen gezamenlijk
leren rekenen en onze taal behoorlijk leren hanteren. We hebben wetenschappen geleerd,
techniek, aardrijkskunde, geschiedenis, vreemde talen, enzomeer.
De westerse maatschappij is ondertussen, dank zij de
scholing en de opleiding die ze biedt en geboden heeft, op technologisch en industrieel
vlak heel hoog ontwikkeld. Als je onze maatschappij vergelijkt met pakweg 100 jaar
geleden of met een willekeurig Afrikaans land, dan kunnen we vaststellen dat we,
tengevolge van die ontwikkelingen, in een staat van welvaart leven.
Materiële welvaart.
Het is merkwaardig om zien hoe kinderen (zowel
basisschool-kinderen als middelbareschoolkinderen) in b.v. Ghana (West-Afrika), blij en
fier zijn dat ze naar school kunnen en mogen. Of ze kunnen gaan, hangt af van de mate
waarin hun ouders of familie bemiddeld zijn; school is er immers niet gratis noch voor
iedereen toegankelijk. Of ze kunnen gaan, zal in grote mate hun kans op latere
materiële welvaart, zoniet overleving, bepalen. De kinderen hebben heel veel respect
voor leerkrachten, doen bijna allemaal ‘hun best’ op school en moeten ’s avonds niet
aangepord worden om ‘huiswerk’ te maken! Onze kinderen daarentegen, hebben een houding
van ‘voor wie?’ en ‘waarvoor?’.
De kinderen hier hebben niet meer het gevoel dat het in het
leven om overleven gaat: niemand van onze kinderen heeft honger noch kent
honger.
Tenzij je natuurlijk die kinderen beschouwt, die al van
jongsaf moeten hongeren en diëten omwille van hun overgewicht!
Is het westen het noorden kwijt?
Je kan je de vraag stellen of het in het westen, nu er in
het algemeen aan onze materiële behoeften voldaan wordt, geen hoog tijd is geworden dat
het onderwijs, dat de taak op zich neemt de kinderen en dus de toekomstige maatschappij
te vormen, zich heroriënteert in functie van de maatschappij die we nodig hebben,
indien we onze planetaire milieuproblemen willen oplossen, de honger in de wereld laten
verdwijnen, oorlogen willen laten doodbloeden om plaats te maken voor overleg, indien
we rechtvaardigheid en ontwikkeling willen waarborgen voor iedereen…..
Veel mensen reageren: dit is nu wel véél te hoog gegrepen, geen oorlog en hongersnood
meer, het stopzetten van de vernieling van onze planeet, rechtvaardigheid voor
iedereen… dit is utopie.
Gelijk hebben ze: zolang ons onderwijs wereldwijd jaarlijks miljoenen kant en klare mensen aflevert die alles in huis hebben om ‘vooruit’ te geraken in het leven, op de manier zoals ook wij ‘vooruit’ geraakt zijn in het leven, zijn het verdwijnen van bloedige oorlogen, de voorziening van goed voedsel en water, ontwikkelings-kansen voor iedereen en een hernieuwd respect voor onze biotoop, zodat we de vernieling stopzetten, slechts utopische waanbeelden en zijn alle acties die we als oudere in die richting doen, zoiets als dweilen met de kraan open.
Alle apen apen alle andere apen na!
Zo goed als alle volwassenen die de kinderen kennen, gaan
uit werken.
De enkele volwassenen die niet werken en waar ze al eens
kontakt mee hebben, zijn meestal oud of ziek. Wat kinderen zien, vormt hun
toekomstperspectief.
Werken wordt nl. (meestal) niet voorgesteld als iets dat
diepgang en zin kan geven aan het leven. Ouders en ouderen laten uit hun gedrag zelden
blijken dat ze ook lèven tijdens hun werk. In veel gevallen lèven mensen trouwens ook
niet meer tijdens het werk, als je hun biologische levensvorm buiten beschouwing laat!
Ze verlangen daarvoor tè hard naar de avond, het weekend en de vakantie om nog enig
joie de vivre uit te stralen als het over ‘het werk’ gaat.
Werken wordt in de eerste plaats aangevoeld als iets dat je
moèt doen om geld te verdienen. Ik verwijs hiervoor naar de inleidende tekst rond het
onderwerp : ‘Werken, waarom de ene moet en de andere mag!’
De mens leert het gemakkelijkst, het efficiëntst en op de
meest ongedwongen manier door andere mensen na te bootsen. Dat de jonge mens de oude
nadoet is inherent aan het feit dat we ons voortplanten: onszelf reproduceren is onze
biologische en aldus ultieme vorm van nadoen of ‘namaken’.
Wie kunnen kinderen nadoen?
Werkende ouders worden niet (meer) verondersteld om kinderen in
hun kielzog te hebben, dus kunnen kinderen hen ook niet
nadoen, terwijl ze werken.
Kinderen kunnen de ouders weliswaar nadoen terwijl ze niet
werken; terwijl ze gestresseerd het huishouden en de boodschappen doen of terwijl ze
uitgeteld voor de TV zitten.
Kinderen kunnen uiteraard ook bij tijd en wijle de
TV-programma’s en -beelden zelf nadoen.
Ze kunnen ook net als de ouders hun tijd vullen met het wachten op het weekend en het
verlangen naar de vakantie.
Wie valt er op school na te doen?
Leerkrachten die op hun beurt deel uitmaken van een
tweever-dienend gezin, die moeten voldoen aan de hoge eisen van leerplannen en van één
of meerdere schooldirecties, met de nodige rompslomp en stress vandien. Ze worden
verondersteld een pak kennis over te hevelen in de hoofden van heel veel kinderen
tegelijk, waarvan een niet te verwaarlozen deel bovendien helemaal geen kennis wil of
kan absorberen.
Op school kunnen de kinderen uiteraard ook mekaar nadoen,
wat ons terug naar af brengt: ze doen na wat ze zelf gezien hebben op tv,
thuis….
Volledigheidshalve.
We mogen niet nalaten met klem te benadrukken dat met ons
onderwijs of met ons onderwijssysteem bedoeld wordt: de scholen plus de opvoeding thuis
plus daarbij nog de wisselwerking tussen de twee.
Het onderwijs vertegenwoordigt immers 2 soorten ouderen:
degenen die beroepsmatig de kinderen onderwijzen en opvoeden, en de anderen (ouders,
familie... ).
Deze laatste groep vertrouwt haar kinderen toe aan de
eerste groep voor algemene opleiding en opvoeding. Deze laatste groep kijkt op de
eerste groep toe en verwacht optimale toewijding en vooral resultaat. De aard van het
verwachte resultaat is dat de eigen kinderen aan het einde van de schooltijd over de
nodige kennis beschikken en gevormd zijn om aan de ‘echte’ maatschappij deel te
nemen.
Een treffend voorbeeld van de wisselwerking tussen de 2
onderwijzende groepen: nl. de school en de ouders, vertaalt zich in de toepassing en de
verwachtingen van het punten- en het examensysteem.
In meerdere lagere scholen heeft het puntensysteem plaats gemaakt
voor een of ander ABCD-quoteringssysteem dat uiteraard op
hetzelfde neerkomt, of een woordrapport of een getuigschrift.
Het blijven uiteraard beoordelingssystemen en het is bovendien merkwaardig hoe er achter ieder alternatief systeem ook steeds toetsen en testen schuilen, waarvan de ‘punten’ omgezet werden, naar b.v. het woordrapport of dergelijke. De ouders eisen nl. meestal dit houvast! Idem voor scholen die het examenssyteem afgeschaft hebben: het zijn de ouders die soms afhaken en hun kind naar een andere school sturen mèt examens, omdat ze vrezen dat een kind zonder examens en de daarmee gepaard gaande examenstress, niet stressbestendig genoeg gemaakt wordt om later de stress van de maatschappij aan te kunnen!
Massa-onderwijs!
Steeds meer volwassenen gaan zich na hun werkuren
heroriënteren of gewoon oriënteren door het volgen van cursussen en workshops die een
levenshouding aanbiedt, die hun leven meer diepgang en meer zin geeft.
Ze leren of volgen yoga, tai chi, meditatie, vreemde talen,
shiatzu, ken jezelf, omgaan met stress, bloemschikken, muziek, zingen, dans, toneel,
kruidenkennis, emotionele intelligentie, massage, onthaasting, intuitieve ontwikkeling,
schilderen, stervens-begeleiding, NLP, oosterse religies, allerhande
ontspanningscursussen enz. enz.
Ze gaan uit vrije wil, offeren er hun (schaarse) tijd aan
op en betalen er behoorlijk voor: een groeiende markt!
Ondertussen zitten hun kinderen thuis huiswerk te maken of
te ‘blokken’ of zitten ze op school leerstof te absorberen die hen vaak niet
aanspreekt, binnen een maatschappelijke structuur die verplicht is (cfr. de
leerplicht).
De ouderen voelen zich ondertussen via de cursussen en
workshops zelfbewuster, veel meer ontspannen en ook stressbestendiger : kortom ze
voelen zich stukken beter in hun vel.
Is het misschien zo dat wat leuk is en ons werkelijk van
dienst kan zijn in ons leven, omdat het onze geest vrijer, opener en onafhanke-lijker
maakt, slechts toegankelijk mag zijn voor wie er later persé naar zoekt en ervoor
betaalt? Moeten we eerst met zijn allen gedurende onze kinder- en jeugdjaren, waarin we
nog makkelijk ‘vormbaar’ zijn, de standaardbehandeling van ‘het onderwijs’ ondergaan,
om dan achteraf, eens we gewillig meedraaien in de maatschappij, als ‘hobby’ onze
persoonlijke groei en ontwikkeling te ‘beoefenen’?
Wordt het niet langzaam tijd, dat de school een plaats
wordt, waar het kind graag naartoe gaat omdat het er zijn eigenheid en zijn
individualiteit kan ontwikkelen?
Dat de school een maatschappelijke structuur wordt, waar de authenticiteit van het
kind gekoesterd wordt in de plaats van afgevlakt tot de gangbare norm?
Waar het aanbod van die aard is, dat zowel de talenten als
de latente talenten van het kind worden aangesproken?
Waar het kind op een ontspannen manier, in en mèt zijn
eigenheid kan leren leven als een sociaal individu?
Het voor-iedereen-gelijk aanbod, de kennissenpaketten die
moeten verteerd worden, de punten- en toetsensystemen om af te meten en onderling te
vergelijken, betekenen in hun meest onschuldige vorm tijdverlies voor de persoonlijke
ontwikkeling. In het algemeen zijn ze een serieuze rem en in veel gevallen zelfs een
dooddoener voor de persoonlijke groei.
Het beoordelings- en waarderingssysteem
Naast het massa-onderwijssysteem op zich, fnuikt ook het
daaraan gekoppelde beoordelings- en waarderingssysteem de emotionele en sociale
ontwikkeling van haar deelnemers in niet geringe mate.
In alle oude en grote geschriften die aan de basis van onze
beschaving liggen, van de bijbel tot de bhagavad gita, wordt de mens aangeraden om over
de andere mens niet te oordelen. Zoiets als ‘oordeel en je zult beoordeeld
worden’.
We doen dat uiteraard allemaal willens nillens, we zijn ons
er niet meer van bewust.
De oordelen die we hebben over de anderen, vormen de
ijkpunten voor ons eigen bestaan.
Je kan je de vraag stellen of beoordelen thuishoort in een
schoolsysteem, gezien ieder mens uniek is en over zijn eigen unieke talenten en gaven
beschikt, waar hij in het leven mee aan de slag kan. Moet hij niet gewoon de kans
krijgen te ontwikkelen wat hij van nature al (weliswaar veelal nog slapend) in zich
heeft?
Je kan je afvragen of door het beoordelen van de mate
waarin de vereiste kennis door de jonge mens geabsorbeerd wordt, er niet overmatig veel
aandacht aan die kennis wordt besteed ten koste van de eigen talenten en kwaliteiten
die deze mens, als ‘mens’ zijnde, ook zou moeten kunnen ontwikkelen.
Daar waar er over ons geoordeeld wordt, zijn we immers
geneigd om ons op zo’n manier te gedragen dat we positief beoordeeld worden. Of
sommigen gaan resoluut voor de negatieve beoordeling!
We krijgen helaas nooit geleerd dat iedere beoordeling
subjectief is, want steeds ‘in verhouding tot’ of ‘in vergelijking met’ staat.
Dat elk oordeel altijd een standaard of norm impliceert.
Het overbekende ‘ons best doen op school’ is niets anders dan te trachten te voldoen
aan de verwachtingen van een systeem, dat voor ons (reeds lang geleden) besloten heeft
wat we nodig hebben.
Dat we bepaalde zaken misschien wel eens niet nodig hebben,
omdat we andere kwaliteiten zouden willen ontwikkelen terwijl we leven, dus met name
onze tijd en ons potentieel anders willen gebruiken dan wat ons wordt opgelegd, komt
helemaal niet aan de orde.
Het beoordelen en waarderen van onze persoon via
puntensystemen, toetsen, testen, examens, getuigschriften, maakt ons afhankelijk van
het systeem zelf. Het systeem beslist nl. in niet geringe mate over onze
toekomstperspectieven, daar zijn we ons in ruime mate van bewust.
Waar we echter niet bij stilstaan is dat we ondertussen ook
afhankelijk geworden zijn van het beoordeeld worden op zich. Bij alles wat we
voortaan doen, of minstens bij alles wat we doen dat niet meteen voor de hand ligt,
gaan we ons afvragen hoe een ander erover zal denken.
Nog erger is dat onze behoefte aan waardering de drijfveer is geworden voor onze
aktiviteiten. M.a.w. als kind geven we een deel van onze levenstijd aan de school en
aan de ouderen: we krijgen er punten voor of een goed rapport, schouderklopjes,
TV-tijd, of een fiets. Als volwassene geven we een deel van onze levenstijd aan onze
werkgevers en we krijgen er geld voor.
Gevolg: tegen de tijd dat we volwassen zijn, vinden we het doodnormaal dat we
jarenlang een job doen die ons totaal niet ligt, als we er maar voor betaald
worden!
Zelfaanvaarding, beloning en straf
In een onderwijssysteem dat hoofdzakelijk gericht is op het materiële aspect van leven en overleven, kan een systeem van waarderen met punten en beoordelen met goed en slecht, nog praktisch nut hebben. De waardering of de beloning die we als volwassene krijgen voor onze prestaties tengevolge waarvan we in onze basisbehoeften kunnen voorzien, komt immers ook van buitenaf onder de vorm van eten, geld en goed en is ook meetbaar. Op het niveau van de materiële basisbehoeften is dit de normale en zelfs noodzakelijke beloning.
In een onderwijssysteem dat de jonge mens toelaat zichzelf diepgaander en verder te ontwikkelen dan het in staat zijn te voorzien in zijn basisbehoeftes, werkt het systeem van waarderen met punten en vergelijkingen, en beoordelen met goed en slecht, echter niet langer. Immers, om ons als mens op emotioneel, sociaal en creatief vlak te ontwikkelen, werkt iedere beoordeling of waardering als een rem, omdat dit soort verdere ontwikkeling een grote mate van zelfaanvaarding vereist. Teveel positieve waardering van buitenaf werkt op een kind (en op veel volwassenen trouwens ook!) erg belastend, omdat ze meteen ook een verwachtingspatroon inhoudt. Het risico is groot dat men ipv zichzelf te aanvaarden, en zich gaat uiten zoals men is en/of zich voelt, zich gaat gedragen in de lijn van de verwachtingen, net omwille van de waardering of beloning. Negatieve waardering van buitenaf daarentegen, duwt het kind (evenals volwassenen) in doemhokjes, waar het later enkel met veel moeite nog kan uitkomen. Iedere negatieve waardering houdt bovendien een niet-aanvaarding of afwijzing in, ook al is het maar van een klein deel van de persoonlijkheid.
Met zelfaanvaarding wordt bedoeld, dat men de vrijheid kan en mag nemen om zichzelf vanuit zichzelf te aanvaarden en te nemen zoals men is. Geen evidentie, maar wel bijna een vereiste om de zelfkennis te kunnen verwerven die nodig is om verder te groeien.
Indien we op aspecten van onszelf stoten, die ons beletten
het leven te leiden dat we willen leiden, dan kunnen we dat maar blijvend en
stapsgewijs proberen te veranderen, door ‘eruit’ te groeien of ‘erdoor’ te groeien.
Ergens uitgroeien kunnen we maar vanuit de aanvaarding dat er iets is om ‘uit’ te
groeien. M.a.w. waar we komaf willen mee maken, moeten we eerst kennen en erkennen, om
daarna te aanvaarden dat dit ook een deel of aspect van onzelf is.
In deze optiek ontwikkelen we ook een andere houding en visie t.o.v. fouten en fouten
maken. Wat we ‘een fout’ noemen, kunnen we beschouwen als een noodzakelijke en soms
onvermijdelijke stap die gezet moeten worden in een bepaalde ontwikkelingsfase om tot
inzicht en begrip te komen en om weer verder te kunnen. Op die manier wordt het begrip
‘fout’ ontdaan van zijn negatieve lading om plaats te maken voor het permanent
aanwezige bewustzijn dat fouten maken inherent is aan leren. Indien dit niet zo zou
zijn, dan zou dit betekenen dat we nooit iets hoeven te leren, maar dat we alles al
zouden kennen, kunnen en weten. Het zich bewust worden van een fout, een fout
onderzoeken en ontrafelen, is veel leerrijker dan een bestraffing ondergaan, welke
(beschaafde) vorm die ook moge aannemen…
Het is dus heel belangrijk dat volwassenen kinderen nemen
zoals ze zijn en hun volledige authentieke wezen aanvaarden.
Om over die vaardigheid te beschikken moet een volwassene
echter eerst zichzelf voor een groot deel hebben aanvaard.
Kortom, een systeem van belonen en van afnemen, is dus inherent aan het voorzien in onze basisbehoeften, maar werkt belemmerend op het niveau van de persoonlijke groei omdat het een directe en ingrijpende vorm van correctie is, resultaatgericht, functioneel en meteen voelbaar. Bovendien werkt zo’n systeem verslavend omwille van zijn aard en repetitief karakter: men wordt ongemerkt afhankelijk ervan. Daarnaast impliceert ieder beloningssysteem een hiërarchie: de beloonde is ondergeschikt aan de beloner omwille van het voorafgaande oordeel van de beloner. Een vergelijking met het suikertje voor de hond of het paard is hier niet veraf.
Op een natuurlijke wijze en van binnenuit groeiend grootworden daarentegen is een proces dat veel meer tijd en geduld vergt van zowel van de ‘uitgroeier’, als van de mensen rondom.
Creativiteit, verbeeldingskracht en spel.
Een belangrijk onderscheid tussen de mens en andere levende wezens wordt gevormd door de creativiteit van de mens of anders gezegd, zijn scheppende vermogen.
De mens schept zijn leefwereld en geeft er vorm aan: de
verbeelding van de mens is zowel zijn drijfveer als zijn kracht om tot scheppen te
komen.
Niettegenstaande we geneigd zijn verbeeldingskracht bijna uitsluitend toe te schrijven
aan kinderen en kunstenaars, die er inderdaad een uitzonderlijk grote portie van
blijken te bezitten, moeten we inzien dat er aan alles wat de mens schept, een
geestelijk beeld, of een ‘verbeelding’ vooraf gaat.
Wat is de aard en het doel van de verbeeldingkracht van een kind die een ‘ingebeeld’
spel speelt met ‘sprekende’ dieren, van een kunstenaar die een nooit eerder gezien
beeld schildert van het begrip ‘liefde’ en van een topmanager die een bedrijf
herstructureert?
Een doel stellen geeft resultaten als gevolg: welke
resultaten tekenen zich af in die 3 situaties?
In het klassieke onderwijs wordt, net als in de rest van de samenleving, verbeeldingskracht maar bewust ingeschakeld en positief gewaardeerd indien ze meetbaar resultaat oplevert.
Inspiratie, bezieling, intuïtie, empathie en creativiteit,
zijn stuk voor stuk aspecten van de mens die we kennen, omdat ze zich uiten en afspelen
in het geestelijke terrein van het beeld, van de verbeelding. Deze aspecten hebben zich
nl. via ons denken een plaats toegeëigend en gemanifesteerd in onze verbeelding,
in ons voorstellings-vermogen. De innerlijke wereld van de verbeelding bestaat uit
beelden, geluiden, geuren, emoties, gevoelens…
Op school wordt ons denken danig gestimuleerd en gekneed dat ons denken in feite onze
‘baas’ geworden is: ons denken, beïnvloed, bang gemaakt en gemanipuleerd van buiten
uit, gaat solo of liever ‘denkt’ solo te gaan en filtert en onderdrukt al onze andere
geestelijke vaardigheden, in functie van hun vermeende onbruikbaarheid voor onszelf en
voor ons overleven.
De manier waarop men het denken systematisch manipuleert en
een plaats op de eerste rij bezorgt, ten nadele van verbeeldingskracht en creativiteit,
is gemeengoed en algemeen aanvaard : op school mag een kind maar spelen in de
‘speeltijd’; op school krijgt men ‘punten’ voor vakken als plastische opvoeding,
expressie enz. (van subjectieve beoordeling gesproken!); kinderen die wegdromen -ze
zitten in het spel van hun fantasie- krijgen opmerkingen: ze moeten hun aandacht
richten naar wat er in de les gezegd wordt.
Als kinderen op scholen moeten zitten, er bovendien nog moeten
stil zitten, geef ze dan toch minstens het recht om weg te dromen! Helaas wordt de
fantasie keer op keer verstoord, tot er bij het kind een soort ontdubbeling in het
brein optreedt: een deel dat een oogje in het zeil houdt, en een deel dat droomt….
Veel spellen en spelen die volwassenen voor kinderen ontworpen hebben, zijn
breinkneders. Wat men pedagogisch verantwoord speelgoed noemt, is vaak een methode om
ons brein op een bepaalde manier te leren denken, of in een logische
volgorde te leren denken… het speleffect dat eraan vasthangt, zorgt ervoor dat
kinderen het graag doen en dat niemand het vormende en/of vervormende aspect merkt.
Er wordt systematisch richting gegeven aan de verbeelding, een groot deel ervan blijft
achterwege wegens nooit meer gebruikt, omdat de kans ontbreekt om haar te focussen.
Ons brein wordt van kleinsaf in een keurslijf geduwd, om onze ongebreidelde natuurlijke
verbeeldingskracht, die ontelbare malen sterker is dan de mens zelf, aan banden te
leggen en in ‘goeie’ banen te leiden. De ‘goeie’ banen waarin ze geleid wordt, zijn die
van de rationaliteit en de rentabiliteit: alles wat we doen moet meetbaar nut hebben.
Wat we presteren op basis van onze rationaliteit is controleerbaar en objectief
beoordeelbaar, want gevormd door de maatschappij zelf.
Resultaat wordt op school uitgedrukt in punten en rapporten en in de maatschappij
vertegenwoordigd door geld en macht.
Resultaatgerichtheid is een rem voor de verbeeldingskracht, de intuitie en de
inspiratie, want deze geestelijke aspecten van de mens hebben ruimte, vrijheid en
openheid nodig als voedingsbodem.
Spelen is een natuurlijke vorm van ‘zijn’; het is de manier waarop kinderen
‘werken’.
Waarom kunnen wij, volwassenen, niet werken op de manier
waarop kinderen spelen?
Iedere mens heeft zijn plaats op aarde
Zelfaanvaarding houdt fundamenteel in dat men ervan uitgaat
dat men evenveel recht heeft als iedereen om hier op aarde te vertoeven, zich te
vestigen en te handhaven en te zijn wie men is. Het zich bewust worden van zijn plaats
op aarde en het daaraan gekoppelde innemen van die plaats is een moeizaam proces dat
bij de ene mens al langer duurt dan bij de andere. Het vinden of ontdekken van zijn
plaats plus de daadkracht verwerven om ze in te nemen, kan ook een heel leven in beslag
nemen: leren genieten van de zoektocht is dus de boodschap!
Ons onderwijssysteem gaat ervan uit dat wat het aanbiedt een noodzakelijke
voorbereiding is voor later, voor als we ‘groot’ zijn. Het wordt als normaal beschouwd
dat kinderen in hun jeugd een soort kladversie van het echte leven
beleven.
Schooltijd zou even boeiend en even ‘echt’ moeten zijn als
het leven zelf: het ‘echte’ leven zou niet iets moeten zijn voor later, of om op te
wachten…
De levensperiode die men op school doorbrengt, is volledig evenwaardig aan het
leven erna.
Het spreekt voor zich dat we ons nageslacht moeten beschermen, koesteren en de nodige
ruimte verschaffen om zich te ontwikkelen.
Daarom mogen we kinderen uiteraard geen verantwoordelijkheden opleggen waar ze te jong
voor zijn en die hen belasten.
Maar kinderen de verantwoordelijkheid geven voor hun eigen
leven, is dat teveel verantwoordelijkheid, of is dat eigenlijk hun recht?
We hebben ze opgezadeld met diverse verantwoordelijkheden zoals ‘hun’ lessen leren,
‘hun’ best doen, ‘erdoor’ zijn enz., zodat ze later ‘iets’ kunnen worden… Precies of ze
zijn niets uit zichzelf en moeten we ze als het ware ‘opvullen’ met
verantwoordelijkheden van buiten af. Wij schuiven hen verantwoordelijkheden in de
schoenen, die zwaar en belastend aanvoelen omdat ze niets met hun eigen specifieke en
authentieke leven te maken hebben. Is het normaal dat kinderen soms bang zijn om naar
huis te gaan (dat nota bene ook hùn huis is) omwille van een sleche toets, een slecht
rapport of een ‘buis’? Waar halen we het vandaan om kinderen systematisch op te
leggen wat ze moeten doen en hoe ze het moeten doen? Waar halen we het recht
vandaan om op een geïnstitutionaliseerde en systematische manier beslag te leggen op
een deel van de levenstijd die ieder levend wezen toegemeten is? De tijdruimte waarin
het zijnsbewustzijn van een mens zich zowat exponentieel ontwikkelt, waarin het
leerpotentieel het krachtigst is, wordt systematisch gehypothekeerd door de
maatschappij via het onderwijssysteem. Want welke andere taak lijkt er het huidige
onderwijssysteem weggelegd dan de jonge mens van kindsbeen af, op te voeden om zo vlug
en efficiënt mogelijk mee te draaien in onze concurrentiële en overconsumerende
maatschappij?
Al onze tijd, ons hele leven van begin tot eind, hebben we
nodig om onze autheniciteit te ontdekken, uit te leven en vorm te geven om op die
manier ons bestaan te creëren in functie van wie we werkelijk zijn.
Dat mensen hun plaats op aarde kennen en innemen, of anders
gezegd, dat ze volledig kunnen beleven wie ze zijn, heeft niets dan voordelen voor de
gehele samenleving. Immers, wie zijn eigen plaats gevonden heeft, heeft er nooit last
van dat een ander ook zijn plaats opeist en inneemt, want ieder mens is uniek. M.a.w.
iemand anders zijn plaats is nooit de jouwe. Dat een ander ook zijn natuurlijke en
rechtmatige plaats inneemt is dus nooit bedreigend, want ze is volkomen verschillend
van jouw plaats.
Meer nog, gezien je zelf je volledige wezen kan zijn, leer
je gaandeweg wie je bent, waar je goed in bent, maar dus ook waar je geen kaas van
gegeten hebt. Je beseft dat je niet in alles bekwaam of deskundig kan zijn, en je kan
met het grootste gemak anderen hùn ding laten doen, waar zij goed in zijn, met als
gevolg dat je je door hen moeiteloos laat leiden door de voor jou onbekende terreinen
en op die manier je hoofd en/of handen vrij houdt voor je eigen ding. Verfrissend,
verademend en ontstressend in een drukke en snelle samenleving, waar het vertrouwen in
elkaar zoek is, en waar men opgeslorpd wordt doordat men zoveel dingen verondersteld
wordt te kennen, te weten en te doen…
Op zoek naar een nieuw evenwicht.
Als we opnieuw de vergelijking maken met Afrika, waar kinderen opkijken naar de school, de lessen en de leerkrachten, omdat ze zich er van jongsaf van bewust zijn dat de kwaliteit van hun verdere leven ervan afhangt, dan moeten we ons afvragen wat we in het westen zouden kunnen bieden, wat maakt dat kinderen persé willen deelnemen aan het onderwijs.
Nadat de materiële behoeften vervuld zijn, waarmee bedoeld wordt voor iedereen eten en drinken, geneeskundige zorg, een dak boven het hoofd en de materiële mogelijkheid tot opleiding, zoals dat in onze maatschappij ongeveer het geval is, moet men zich focussen op de emotionele, sociale en creatieve behoeften van de mens. Al was het maar om de materiële welwaart waarover we beschikken in stand te houden, of in ons geval in evenwicht te krijgen. Hoeft het nog veel uitleg dat onze materiële welwaart niet meer in evenwicht is, dat het overaanbod aan materiële welvaart zelfs volledig in ons nadeel aan het werken is? Al de te dikke kinderen; kinderen die overal heen gebracht worden met de auto en dus zowel beweging als exploratie-mogelijkheden moeten missen; kinderen die verslaafd zijn geworden aan gsm, sms, msn, TV, playstation, cola, chips, suiker…
Niet enkel de kinderen, maar ook de volwassenen ontkomen
uiteraard niet aan de nadelen van de materiële overvloed zoals blijkt uit allerhande
verslavingen ( eten, drinken, suiker, kopen, TV, computer, snelheid, werken etc.) en
wat men heel treffend ‘beschavingsziektes’ noemt.
Het is trouwens ook heel evident dat we onevenwichtig zijn
beginnen omspringen met onze materiële voorzieningen, net òmdat er nooit voldoende
aandacht besteed is geworden aan onze emotionele en sociale ontwikkeling en onze
initiële creativiteit.
Het materiële, onder de vorm van bezit en consumptie, moet
nl. vaak dienst doen als compensatie voor onze emotionele behoeftes, onze
sociale onmacht en gefnuikte scheppingsdrang.
Het onderwijs is zonder meer een uiterst belangrijke rol weggelegd in de emotionele en
sociale ontwikkeling van haar deelnemers.
Hoe en waar begonnen?
Hoe kan het onderwijs de voorwaarden scheppen die nodig
zijn voor de persoonlijke groei van het kind?
Het antwoord ligt niet besloten in een of ander ‘systeem’,
maar is een proces dat de kans moet krijgen om te aarden en zich te ontwikkelen.
Vooreerst moet men ervan uitgaan dat men zowel de ouders
als de kinderen zal moeten ‘onderwijzen’, indien men de noodzakelijke fundamentele
aanpassingen wil doorvoeren die op termijn veranderingen in de maatschappij
teweegbrengen.
De ouders zijn immers nog opgevoed in het systeem van
‘vooruitgeraken’, ‘ergens geraken’ en zijn als de dood dat hun kind zou blijven hangen
of, erger nog ‘nergens’ geraken.
Om zeker te zijn dat dit niet zal gebeuren, zullen de
meeste ouders, zelfs de progressieve, die inzien dat het huidige ouderwijs aan een
grote aanpassing toe is, ‘op twee paarden wedden’! Ze laten hun kind invoegen in een
alternatief onderwijssysteem onder de voorwaarde dat hun kind ook het gangbare algemene
kennispakket aangereikt krijgt, weliswaar op een alternatieve manier. Dit geldt zeker
voor de lagere school.
Wat de hogere school betreft, kennen we allemaal wel de
jongen die striptekenaar en het meisje dat toneelactrice wil worden, dat ook mogen
worden, maar toch eerst een ‘echt’ beroep moeten leren, zodat ze zeker aan de kost
zullen komen.
Dit is volkomen normaal, we noemen dit
ouderinstinct.
Ieder van ons heeft immers zelf het onderwijs ondergaan: we
zijn er tevreden of niet tevreden over, we hebben het gevoel dat we het ver geschopt
hebben of net nergens beland zijn….
Een ding staat vast: het is heel moeilijk om het systeem
dat ons afhankelijk heeft gemaakt van zichzelf (zie onder ‘Het waarderings- en
beoordelingssysteem’), te laten voor wat het is. Omwille van die afhankelijkheid,
leggen we uiteindelijk steeds ons vertrouwen in het systeem en niet in onszelf en dus
ook niet in onze kinderen.
We zijn pas gerustgesteld als onze kinderen net als wijzelf
‘inpasbaar’ gemaakt worden in de maatschappij, die - niet te onderschatten als
argument- voor ons zorgt.
Een gruwelijke vergelijking.
In andere culturen worden vandaag de dag nog steeds meisjes
sexueel verminkt omwille van het gebruik van de besnijdenis.
Het zijn de moeders en grootmoeders, de vrouwen zelf dus,
die hun eigen dochters besnijden of laten besnijden. Ze staan niet stil bij de gevolgen
die ze als vrouw hebben ondervonden omwille van hun eigen besnijdenis. Het enige wat
telt is, dat hun dochters later passen in de gemeenschap, dat ze niet verworpen,
verbannen of uitgesloten geraken omwille van hun niet-besneden zijn.
Veel ouders hebben pijn om te zien hoe hun kinderen
leerstof onder de knie moeten krijgen, die ze soms helemaal niet aankunnen of
willen.
Ze zien toe hoe hun kind niet kan of niet wil en hoe toch
alles in het werk wordt gezet (bijscholing, therapie, revalidatie, dokters, etc.), om
het te doen kunnen of te doen willen. Ouders weten soms perfect waar hun kind
wèl heel goed in is, maar ze zien zowel de belangstelling die hun kind daarvoor aan de
dag legt, als de oorspronkelijke vaardigheid zelf, met lede ogen achteruitgaan, omdat
alle tijd en energie gestopt wordt in voldoen aan de vereisten die de school stelt of
anders gezegd in ‘het meekunnen’.
Ouders moeten soms ‘s nachts opstaan voor hun kinderen die
wakker liggen van de examenstress.
Voor vele ouders is de ‘verademing’ van het jaar, het
moment dat de grote vakantie begint. De periode waarin iedereen weer zichzelf kan en
mag zijn.
Al hebben we soms het gevoel dat een deel van de
herseninhoud van onze kinderen verminkt of op zijn minst onderdrukt wordt, ten koste
van de rijke eigen specifieke kwaliteiten, toch gaan we net als de moeders van de te
besnijden dochters, niet vlug het risico nemen dat ons kind ‘er niet meer bij kan
horen’, door te zeggen dat het b.v. die stof niet moet leren, als blijkt dat het er
maar steeds niets van begrijpt, of dat het zich van die examens niets moet
aantrekken….
Het systeem op zich laat dat trouwens ook niet toe, want
kinderen die afhaken wegens niet kunnen of niet willen, gesteund door hun ouders of
niet, belanden in het Bijzonder Onderwijs. Daar waar het Bijzonder onderwijs vroeger
echt wel bijzonder onderwijs was, en voor een minderheid bestemd, moeten er ondertussen
maatregelen getroffen worden om het Bijzonder Onderwijs te ontlasten, wegens
overvol!
Kinderen uit alle rangen en standen en met de meest
uiteenlopende capaciteiten en ‘mankementen’, belanden in het Bijzonder Onderwijs. De
reden hiervoor is dat de lat er heel wat lager ligt, maar vooral omdat het onderwijs
meer afgestemd is op de individuele vaardigheden en het tempo van het kind.
In afwachting dat het gangbaar onderwijs de broodnodige
fundamentele aanpassingen invoert, alvast ‘hoera’ voor het Bijzonder Onderwijs!
Zo d’ouden zongen…
Ouders zouden dus moeten kunnen onderricht en begeleid
worden elk in hun eigen persoonlijke groei.
… dan pas kunnen ze vanuit hun ouderinstinct toelaten en er zelfs bewust voor kiezen dat hun kinderen van jongsaf hun specifieke talenten gaan ontwikkelen en vermijden dat deze vernietigd of begraven worden door er massa-onderwijs op toe te laten.
Naast de ouders is het noodzakelijk dat ook de leerkrachten, de mensen dus die onze kinderen beroepsma-tig onderwijzen, de noodzaak inzien van hun eigen nooit eindigende persoon-lijke groei en dus bereid zijn met zichzelf aan de slag gaan, zodat ze, wat ze hierdoor zelf meemaken en ervaren, op een bewuste en vertrouwensvolle manier kunnen laten plaatsvinden bij de kinderen.
Leve de leerkracht.
Wanneer de persoonlijke groei bij volwassenen opnieuw in
gang wordt gezet en de eigen talenten, gaven en vaardigheden worden (her)ontdekt, kan
dat wel voor enkele verschuivingen zorgen!
Veel leerkrachten kunnen een volledig nieuwe diepgang vinden in hun werk, indien ze
kunnen en mogen afstappen van de oude aangeleerde onderwijspatronen. Ze zullen ook het
grote belang van hun taak opnieuw gaan waarderen en de enorme impact ervan op de
maatschappij inzien.
Andere leerkrachten zullen voortaan liever iets anders doen.
Bij de ouders gaan sommigen plots een ernstige roeping ontdekken om niet alleen hun
eigen kinderen te onderwijzen; ze willen voortaan
als begeleider meerdere kinderen de kans te geven tot een individuele en volledige
ontwikkeling.
Volwassenen, zowel ouders als leerkrachten, die zichzelf persoonlijke groei toestaan, gaan voortaan bijna automatisch, omwille van hun eigen natuurlijke zelfontwikkeling, makkelijk de talenten, gaven en capaciteiten ‘zien’ en ‘aanvoelen’ bij kinderen. Dit is ook nodig, want veel talenten zijn nagenoeg latent aanwezig en wachten slechts op een prikkel. Het hoeft geen betoog dat de standaardtesten die scholen of andere instanties op kinderen uitvoeren, totaal niet gericht zijn op het ontdekken van talenten, noch de prikkel kunnen zijn die talenten blootlegt!
We moeten hoogdringend tot het besef komen dat de taak van de leerkracht een van de allerbelangrijkste is in de samenleving.
Als je soms ziet hoe min en onrespectvol leerkrachten vandaag de dag behandeld worden, zowel door de kinderen àls de ouders àls hun directies, dan is dat op zich al een bewijs dat er iets héél fundamenteel niet klopt met wat we onderwijs noemen!
Het leven in stukjes verdeeld.
De maatschappij heeft in de loop van haar ontwikkelingsgeschiede-nis haar verschillende levensgebieden in toenemende mate gedifferentieerd en afgebakend. Als dusdanig heeft ze ieder levensgebied een eigen terrein en een grotere of kleinere mate van bestaansrecht toegekend: economie, onderwijs, welzijn, kunst, werkgelegenheid, vrijetijdsbesteding, gezondheid, opvoeding, wetenschappelijk onderzoek etc.
Deze ruimtelijke opsplitsing werd bovendien ook lineair
geprojecteerd op de tijdsduur van een mensenleven. Ruwweg uitgedrukt komt het erop neer
dat de prille mens als ‘leerling’ onder onderwijs en opvoeding ‘valt’,
waar hij systematisch voorbereid en klaargemaakt wordt om later als werkende en
consumerende mens onder het departement economie en werkgelegenheid te
ressorteren; vakantie en ziekteverlof zijn dan een ‘recht’
geworden!
Het gevolg is dat we het leven fragmentarisch gaan ervaren:
het dringt niet tot ons door dat we òòk aan het leven zijn terwijl we aan het ‘leren’
of aan het ‘werken’ zijn: we verlangen naar wat ‘vrije tijd’ wordt genoemd, om dan die
dingen te doen die we écht graag doen.
We kunnen geen klokken terugdraaien en opnieuw het leven
leren ervaren als ‘een geheel’ is makkelijker gezegd dan gedaan.
De meest voor de hand liggende stap is echter om zo’n fragment uit het leven nl. het onderwijs (omwille van de jeugdige leeftijd die de mens heeft, wanneer hij hieraan wordt blootgesteld) opnieuw te laten uitgroeien tot een geheel, eenvoudigweg door het onderwijs niet langer systematisch af te snijden van het leven zelf.
Onderwijs dat aansluit bij het ‘echte’ leven
Laat ons een kijkje nemen naar hoe een kind oorspronkelijk
zijn tijd besteedde, dus vòòr het massa-onderwijs, als een op zichzelf optredend
onderdeel van het bestaan, zijn intrede deed.
Vroegere tijden leveren ons hiervoor materiaal, maar we kunnen ons ook vandaag de dag
nog –weliswaar op de valreep- laten inspireren en instrueren door de zogenaamde locale
culturen (hiermee worden volksstammen en dorpen in meestal (sub)tropische gebieden
bedoeld, die omwille van hun geografische ligging, klimaat, onbereikbaarheid, etc. min
of meer van de westerse beschavings-drang gespaard zijn gebleven).
We leren dat de kinderen in het kielzog van de ouderen
leven, veel spelen en gaandeweg nadoen wat zij doen, en dit met een motivatie en een
geestdrift waarmee de meeste ouders van hier en nu ook wel vertrouwd zijn: hoe kunnen
onze kinderen zeuren om te mogen ‘echt’ kokkerellen, om te mogen zelf hout zagen of om
een vijs in te draaien….
Kinderen doen ook onderling elkaar na: oudere kinderen doen voortdurend onbewust zaken
en houdingen voor en ze worden door de jongere kinderen uitge-daagd en
aangemoedigd.
Kinderen willen overal ter wereld niets liever dan spelen
en zelf dingen doen!
Een onderwijssysteem dat fragmentatie van het leven wil
vermijden speelt zich af in het verlengde of de uitbreiding van de thuisomgeving: de
kinderen voelen zich net zo goed thuis en dus op hun gemak, op ‘school' als
thuis.
Alles waar men op school bewust en onbewust mee bezig is,
heeft zijn wortels in het leven en die wortels worden zichtbaar en voelbaar
gemaakt.
De kinderen kiezen onderwerpen waar zij aan de slag mee willen, daarnaast kunnen er onderwerpen door de leerkracht (en de ouders en/of de ouderen) worden aangereikt… Het belangrijkste hieromtrent is dat ieder gekozen onderwerp een project wordt, een praktisch werkgeheel, waarbinnen zoveel mogelijk aspecten, niveau’s en toepassingen zichtbaar worden gemaakt, en dat het project zowel praktisch als theoretisch gesitueerd wordt binnen het kader van ons bestaan. Uiteraard dienen er zich naast wat we hier ‘projecten’ genoemd hebben, dagelijks vanzelf voortdurend interessante items aan, die hun oorsprong vinden in de actualiteit, in de gebeurtenissen in en rond de groep, in het leven zelf; trouwens, onderwerpen die zich spontaan aandienen of opdringen zijn het meest waardevol, want ze wellen op uit een ervaring, of uit een vraag naar verklaring en inzicht.
Op die manier doet vroeg of laat alle kennis die in het klassieke onderwijssysteem aangebracht wordt, samen met elk levensaspect waarmee men bij leven en werken geconfronteerd wordt, binnen ieder willekeurig gekozen project zijn intrede, of kan er op zijn minst in betrokken worden. In dat verband hangt er veel af van de reikwijdte die de leerkracht (veelal samen met betrokken ouders en/of ouderen) kan en wil bestrijken.
Wie geeft wie een lesje?
Iets leren heeft niet langer iets te maken met ‘leerstof’
absorberen: iets leren wordt binnen een alternatief schoolsysteem in de eerste plaats
iets ‘bijleren’: we weten nl. al zoveel vanzelf, zonder dat iemand het ons ooit heeft
aangeleerd. Laat ons denken aan onze intuïtieve en instinctmatige kennis. Een simpele
verwijzing naar het dierenrijk volstaat hier: we weten allemaal wel dat vogels niet
naar
school hoeven te gaan om te weten hoe en wanneer ze hun
nestje bouwen, of naar de warme landen vliegen….
Een pak basiskennis hebben ook wij mensen, al vanzelf,
waardoor we enkel nog kunnen ‘bijleren’….
In tegenstelling tot ‘iets leren’ (waarbij het er trouwens
meestal op neerkomt dat ons eerst vanalles wordt ‘afgeleerd’), vertrekt iets ‘bijleren’
reeds vanuit een bestaande dynamiek: het is een natuurlijke verderzetting van wat we al
uit onszelf kennen, kunnen en weten. Qua bevestiging van ons zijn, qua eerbied voor wie
we zijn, kan die nederige benadering van waaruit ‘verdere leerstof’ ons aangeboden
wordt, wel tellen!
Vertrekkend vanuit dit natuurlijke uitgangspunt, lukt het ons als vanzelf om de verschillende levensaspecten in ruimte en tijd te gaan overschrijden: bijleren doen we nu eenmaal allemaal, ons hele leven lang, meestal op diverse terreinen en soms willens nillens…
We komen erop uit dat lèven op zich een leerproces is : we lèren nl. leven, beetje bij beetje en met vallen en opstaan. M.a.w. we worden ons ervan bewust dat ‘leren’ niet begint bij wat we leren thuis of op school, noch dat het stopt nadat we ‘afgestudeerd’ zijn.
Vandaar dat in een maatschappijvernieuwend onderwijssysteem iedereen bewust deel uitmaakt van zijn eigen leerproces, zowel de begeleiders, leerkrachten, ouders, ouderen en kinderen.
Iedereen is nl. ten allen tijde aan het bijleren: dit kan
zowel op het puur cognitieve vlak zijn als op het sociale en emotionele vlak. Niemand
is ooit volleerd: oud kan op ieder moment nog evenveel leren van jong als dat jong kan
leren van oud, indien leren synoniem wordt voor ‘het zich openstellen voor het
leven’.
Bij het werken rond een bepaald project vindt iedereen zijn
plaats, of net niet!
Het kind wordt geprikkeld; het kan, als de begeleiding
efficiënt is, ontelbare aspecten van zichzelf uitleven of ontdekken.
Het ontdekt en ontwikkelt zijn eigen mogelijkheden op zijn
eigen tempo.
Al begeleidt de leerkracht het project in zijn geheel, het project zelf als sociaal
gegeven, dient als kader voor de individuele ontwikkeling van elk kind apart, als
individu en als sociaal wezen.
Vanuit evenwaardigheid aan elkaar, vanuit het bewustzijn dat iedereen ten allen tijde en tegelijkertijd zowel leraar en leerling is, krijgen de sociale en emotionele vaardigheden die het kind ontwikkelt, meer kans om van hun gebruikelijke patroon te gaan afwijken: gevoelens van solidariteit, mededogen en empathie, krijgen de bovenhand op concurrentiegedrag, het recht van de sterkste, blinde ambitie en jaloezie….
Er wordt veel competentie en inzicht verwacht van de leerkracht, er is creativiteit nodig en veelzijdigheid, maar er is bovenal steeds weer frisheid en bereidheid nodig om samen met kinderen een avontuur aan te gaan en het voor het grootste deel te beleven net als zij, nl. voor de eerste keer!
Er ontstaat een wisselwerking tussen de kinderen en de leerkracht, waarbij de leerkracht dag in dag uit mag ervaren wat hij van de kinderen kan opsteken op het vlak van authentieke levenskunst; de kinderen van hun kant ontwikkelen een natuurlijk respect voor diegenen die hen wegwijs maken in het leven hier op aarde!
Tot besluit
Het is geenszins de opzet van dit boekje om het begrip
onderwijs in al zijn facetten uit te diepen, noch om een kant en klaar nieuw
onderwijssysteem te presenteren: onderwijs is immers nooit ‘af’, net zo min als dat
iemands leven ooit als ‘af’ kan worden beschouwd.
Dit boekje wil daarentegen wel een aanzet zijn om het principe van het ‘onderwijzen’
zichtbaar te maken als zijnde een dynamisch, creatief en interactief proces, dat iedere
mens aanbelangt, van geboorte tot dood. Via de beschouwingen, inzichten en conclusies
die in dit boekje aan bod komen, kan er ruimte worden gecreëerd om ongedwongen en
natuurlijke onderwijsvormen te laten ontstaan ondanks onze hectische en dwingende
samenleving.
Maar laat ons alert en vooral realistisch blijven: de meeste beschouwingen die in dit
boekje worden aangekaart, bieden voor veel mensen genoeg stof, obstakels, voetangels en
klemmen om ieder gesprek snel te doen stranden, zodat enige concrete uitwerking nog
lang op zich kan laten wachten!
Dit is precies wat er van ons wordt verwacht!
Het clubje mensen op aarde dat er denkt voordeel uit te halen indien overconsumptie, concurrentie, hongersnood, oorlog en de vernietiging van onze biotoop gehandhaafd blijven, heeft er àlle belang bij dat wij vooral onze nazaten even compatibel maken aan het systeem als dat we dat zelf zijn!
We moeten de gesprekken uiteraard kritisch en gefundeerd voeren; we kunnen ze ‘live’ voeren en ze spreiden over verschillende dagdelen of avonden, want diepgaand inzicht en begrip is hoedanook in eerste instantie vereist.
Van het allergrootste belang is echter dat we er ons
tijdens de gesprekken voortdurend van bewust zijn dat we zelf een product zijn
van het systeem en als dusdanig weinig subjectief!
Belangrijk om weten is ook, dat we slechts ‘blijvend’
inzicht in deze beschouwingen kunnen verwerven indien we met onszelf aan de slag gaan;
m.a.w. indien we onszelf als een leerling kunnen beschouwen die levenslang kan en wil
bijleren.
Het is niet zo evident is om daarmee te beginnen, gezien
veel mensen nu eenmaal door het systeem als ‘afgestudeerd’ werden en worden beschouwd.
Het is dus volkomen logisch dat we met deze positieve beoordeling verder leven en ze
tijdens gesprekken bewust of onbewust aanwenden om ons gelijk en aldus het gelijk van
het systeem te verantwoorden en/of te beamen.
Wat we al kennen en weten even loslaten – het komt op een later tijdstip ongetwijfeld
weer van pas- is bijna een vereiste om dieper te kunnen ingaan op de essentie van de
mens.
Laat ons tijdens de gesprekken ook de discipline en vooral
de durf aan de dag leggen, om onszelf en hiermee dus ook de gespreksgroep niet te laten
stranden op argumenten gebaseerd op onze eigen (heel normale en logische) angst voor
verandering van onze leefwereld.
Wanneer we daarentegen als gespreksgroep elkaar voldoende
gevonden hebben, is het ogenblik aangebroken om daadwerkelijk met een onderwijsproject
te starten die onze samenleving een vernieuwde diepgang kan geven.
* Noot bij ‘Enkele vaststellingen…’
Ik wil hier in geen geval inpikken op de gevoelige discussie of deze pathologische
verschijnselen, ‘nieuwe’ ziektes zouden zijn, dan wel ‘modeziektes’ of ‘èchte’ ziektes:
wie zo’n kind heeft, heeft daar geen boodschap aan en de discussie die hieromtrent aan
gang is, leidt naar nergens, omdat het wetenschappelijk onderzoek nog voortdurend
nieuwe invalshoeken rond deze verschijnselen ontdekt. Wat daarentegen wel buiten kijf
staat, en waar het dus wèl over gaat, is dat al deze kinderen niet in staat zijn zich
in te passen in het verwachtingspatroon van de maatschappij, zonder aangepaste
behandeling en/of psychofarmaceutische medicatie.
" Als je doet wat je leuk vindt, hoef je nooit te
werken."
Gandhi (1869-1948)
Reacties :
christine@stofenaarde.be